|
| 

29 maart 2011 - Robeco
Onderzoek CNV-jongeren
Onderzoek van de Stichting Pensioenkijker (2005), dat door CNV-jongeren is uitgevoerd, heeft de kennis en ideeën van jongeren (16-28 jaar) over hun toekomst en pensioen achterhaald. De associaties die bij jongeren naar boven komen als het gaat om pensioenen zijn: ‘oud’, ‘65+’, ‘bejaard’ en ‘toekomst’, maar ook: ‘niet meer werken’, ‘stoppen met werken’, ‘vrije tijd’, ‘genieten’, en ‘rust’. Ook denken jongeren aan ‘geld’, ‘inkomen’, ‘inkomenszekerheid’ en ‘AOW’. Een deel denkt aan: ‘sparen’, ‘verzekering’ en ‘belangrijk om te regelen’. Voor veel jongeren is pensioen echter nog heel ver weg en iets voor later. Een ander deel maakt zich ook zorgen en spreekt over: ‘pensioengat’, ‘weinig’, ‘onbetaalbaar’, ‘afzien’ en ‘is er dan nog geld?’ Ook denkt een groot gedeelte: ‘dat duurt nog heel lang’, ‘ben ik niet mee bezig’, ‘dat is iets voor als ik een vaste baan heb’.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen een aantal conclusies worden getrokken. De helft van de Nederlandse jongeren tussen de 16 en de 28 jaar is niet op de hoogte van zijn of haar pensioen. Driekwart van de jongeren heeft zich nog nooit actief met de vraag ‘waar ze later van gaan leven’ bezig gehouden. Slechts de helft van de jongeren verwacht later (onder andere) een pensioen te ontvangen. Tweederde verwacht niet dat een AOW-uitkering onderdeel zal zijn van het inkomen van later. De helft van de jongeren gaat er vanuit dat het eigen spaargeld een onderdeel van het inkomen zal zijn. Een kwart van de Nederlandse jongeren zegt op dit moment geen pensioen op te bouwen. De helft van de werkende jongeren heeft geen idee hoeveel zij voor hun pensioen te betalen. De jongeren die zeggen een idee te hebben hoeveel procent van hun salaris er naar pensioen en AOW gaat, schatten dit tot tien procent van het bruto-inkomen. De verwachting van wat ze met het pensioen zullen krijgen, schatten ze grotendeels te hoog in.
Opvallend is dat jongeren minder denken te betalen, dan dat ze betalen. Ook willen ze minder betalen, dan dat ze moeten betalen. Ze willen eerder stoppen met werken dan dat ze verwachten te kunnen stoppen. Daarnaast willen ze meer pensioen ontvangen dan dat ze verwachten. De verwachtingen van de jongeren liggen hoog in vergelijking met wat er op dit moment (2005) door de pensioenfondsen in het vooruitzicht wordt gesteld. De vraag is of deze onwetendheid/onduidelijkheid van jongeren niet een enorme frustratie op kan leveren op het moment dat het voor hen wel inzichtelijk wordt hoe het inkomen op hun oude dag eruit gaat zien. Naarmate jongeren ouder worden en meer verantwoordelijkheid krijgen (in baan of woonsituatie) gaan zij ook bewuster naar hun pensioen kijken. Ze worden zich er bewuster van dat bepaalde gebeurtenissen in je leven, zoals het wisselen van baan, minder werken, kinderen krijgen, momenten zijn om nog eens naar je pensioensituatie te kijken. Opvallend is dat jongeren dit duidelijker in beeld hebben dan de algemene Nederlandse bevolking. De helft van de jongeren vindt dat ze niet actiever na moeten denken over pensioenen. Ze vinden het een ‘te ver van hun bed show’ en verwachten dat het of goed geregeld wordt, of dat het in de tussentijd toch nog wel een aantal keren zal veranderen, dus nu nadenken heeft niet zoveel zin. De rest vindt dat het iets is voor als je oud bent, maar dan moet je namelijk wel goed rond kunnen komen, dus is het handig om er nu al over na te denken.
Informatie over pensioenfondsen halen jongeren voornamelijk op Internet, bij pensioenfondsen, werkgevers of adviseurs. Meer dan de helft van de jongeren vindt dat de verantwoordelijkheid voor informatie over pensioen vooral bij henzelf, de werkgever of de overheid ligt, maar ook voor de pensioenfondsen zien zij hier een taak in weggelegd. De verantwoordelijkheid ligt niet bij scholen en opleidingen.
Psychologische interpretatie onderzoekresultaten CNV
Er kunnen enkele psychologische oorzaken worden gegeven voor de associaties die pensioenfondsen oproepen bij jongeren. Een eerste oorzaak kan gegeven worden door ‘unrealistic optimism’ (Weinstein, 1980). Dit is de tendens van mensen om overmatig optimistisch te zijn over de toekomst. Dit betreft een overschatting van de kans dat positieve gebeurtenissen gaan plaatsvinden en de onderschatting van de kans dat negatieve gebeurtenissen gaan plaatsvinden. Jongeren verwachten dus dat het later wel goed komt met het pensioen, terwijl de kans ook bestaat dat zij later in financiële problemen kunnen komen Een andere oorzaak is ‘delayed gratification’ (Mischel, Ebbesen, & Zeiss, 1972). Delayed gratification is de bekwaamheid om te wachten op iets wat men wil verkrijgen. Daarbij moet een individu de afweging maken om te kiezen voor minder aantrekkelijke aspecten op de korte termijn die leiden tot aantrekkelijkere beloningen op de lange termijn. Het blijkt echter moeilijk te zijn om te kiezen voor die minder aantrekkelijke aspecten, omdat de consequenties van die keuze pas later uitbetaald worden. Jongeren kiezen er niet voor om nu maandelijks geld opzij te zetten (minder aantrekkelijk op de korte termijn), zodat zij later pensioen uitbetaalt krijgen (aantrekkelijk op de lange termijn). Dit komt doordat de minder aantrekkelijke aspecten op de korte termijn zwaarder wegen als de aantrekkelijke aspecten op de lange termijn.
Een laatste oorzaak voor de positie van jongeren ten opzichte van pensioenfondsen is de weerstand tegenover verandering. Jongeren zien het belang van een pensioenfonds wel in, maar blijven toch passief; ze hanteren als het ware de status quo. Deze situatieschets kan ondergebracht worden in één van de vormen van psychologische weerstand, namelijk inertia (Knowles & Riner, 2007). De huidige status van de jongeren is koek en ei, waarom zouden ze nadenken over de toekomst? Ze hebben dus weerstand tegenover verandering. Volgens de ‘Theory of Planned Behavior’ (Ajzen, 1985) wordt gedrag voorspeld vanuit de intentie om een bepaalde gedraging te vertonen. De intentie om een bepaalde gedraging te vertonen wordt bepaald door drie globale constructen: (a) attitudes ten opzichte van het gedrag, (b) sociale normen ten opzichte van het gedrag en (c) ervaren controle bij het gedrag. De attitude wordt eerst gevormd door overtuigingen met betrekking tot de kosten en baten van het desbetreffende gedrag. Zoals gezegd wegen de baten niet tegen de kosten op, omdat de uitbetaling van het pensioen te ver in de toekomst ligt. Als tweede wordt de attitude gevorm door de evaluatie van deze overtuigingen. De sociale normen bestaan uit twee componenten, namelijk de attitude van belangrijke anderen tegenover het desbetreffende gedrag en de motivatie om te gehoorzamen aan de attitudes van belangrijke anderen. Bij jongeren spelen belangrijke anderen, zoals vrienden, een belangrijke rol in hun leven. De attitudes over pensioenfondsen van belangrijke anderen stemmen naar alle waarschijnlijkheid overeen met de attitudes van het individu. De ervaren controle van het gedrag is het geloof dat men het gevoel heeft dat men iets kan uitvoeren wat men wil gaan uitvoeren. Naar alle waarschijnlijkheid hebben jongeren niet een gevoel van controle aangezien het merendeel van de jongeren niet op de hoogte is van zijn/haar pensioen.
Wetenschappelijke achtergrond financieel gedrag
Het niet goed beheren van geldzaken kan serieuze, negatieve, sociale en maatschappelijke lange termijn effecten hebben. Financiële diensten claimen dat de hoge incidentie van faillissement, schulden, kredietkopen en dergelijke, het gevolg zijn van een tekort aan kennis over financiën van de consument zelf. Chang en Hanna (1992) beargumenteren echter dat dit tekort aan kennis over financiën ligt aan het feit dat de gegeven financiële informatie (of voorwaarden) te complex is voor de gemiddelde consument. Verscheidene onderzoeken tonen aan dat zowel kwalitatief slechte informatie over financiële diensten en onrealistische verwachtingen van de consument (Taylor & Overbey, 1999), als incompetente kennis (O’Neill, Bristow & Brennan, 1999) bijdragen aan een toekomstig economisch plaatje dat niet al te rooskleurig is. Hogarth en Hilgert (2002) vonden dat consumenten die een hoge mate van financiële kennis hebben, meer verantwoord met geld omgaan dan mensen die minder kennis van financiële zaken hebben. Kennis, of inzicht, in financiële zaken is dus een belangrijke factor om constructief om te gaan met financiën. Onderzoek toont aan dat het zelf-concept of de zelfperceptie van individuen financiële voorkeuren en gedrag beïnvloedt (Hira & Mugenda, 1999). Rubenstein (1981) concludeert dat hoe mensen tegenover geld staan, afhangt hoe zij zich over hun eigen leven voelen.
Hoe men in het leven staat, hangt af van hoe men tegen bepaalde zaken aankijkt. Hoe men tegen bepaalde zaken aankijkt hangt af van de ‘Locus of Control’ (Rotter, 1966). De Locus of Control is een term uit de psychologie waarmee de mate wordt aangeduid waarin iemand de oorzaken van wat hem overkomt bij zichzelf of juist buiten zichzelf zoekt. Locus of control is een eigenschap van iemands persoonlijkheid en er kunnen twee soorten worden onderscheiden. Een interne Locus of Control duidt erop dat iemand geloofd dat hij/zij zelf verantwoordelijk is voor het succes (of het falen) van zijn pogingen om een doel te bereiken. Hij schrijft het resultaat (of het gebrek aan resultaat) toe aan zijn eigen gedrag, zijn eigen karakter en zijn goede en slechte eigenschappen. Een externe Locus of Control duidt erop dat iemand meent dat de resultaten (of het gebrek aan resultaten) van zijn pogingen om een doel te bereiken toe te schrijven zijn aan oorzaken buiten zichzelf, zoals geluk, zijn sociale positie en andere mensen. Het blijkt dat mensen met een interne Locus of Control meer verantwoord met hun financiën omgaan dan mensen met een externe Locus of Control (Perry & Morris, 2005). Mensen willen over het algemeen een gevoel van controle ervaren over het beheren van hun financiën. Niet alle mensen zijn daartoe echter in staat; door het achterblijven van financiële kennis of gebrek aan motivatie.
Implicaties wetenschappelijke achtergrond
Twee belangrijke determinanten van de psychologie achter financiën zijn het gevoel van kennis en een gevoel van controle. Robeco kan deze twee aspecten aan de consument leveren door hun expertise. Door te benadrukken dat Robeco expert is op het gebied van pensioenfondsen, kan de consument het gevoel van veiligheid worden gegeven dat belangrijk is bij het beheer van financiën. Door het beheer van financiën uit te besteden aan Robeco, kan de externe Locus of Control omgevormd worden tot een interne Locus of Control. Bovendien bestaat er de heuristiek of vuistregel ‘Experts hebben kennis van zaken’. Het optimistische wereldbeeld van jongeren kan benadrukt worden door te vermelden dat Robeco meegaat men dit optimistische toekomstbeeld. Door het pensioen bij Robeco te regelen gaat men een rooskleurige toekomst tegemoet. Ook kunnen de positieve aspecten van een pensioen naar het hier-en-nu worden gehaald, door de zekerheid te benadrukken die de opbouw van een goed pensioen garandeert. ‘Nu al geen zorgen voor later.’
Rondom de situatie van jongeren en pensioen bestaat een paradox, namelijk: Jongeren zullen het er vast mee eens zijn dat een goed pensioen belangrijk is voor de toekomst, maar desondanks wordt er niet gehandeld naar deze bewustwording. Dit paradoxale effect van inertia kan doorbroken worden door een ongewoon element aan een reclameboodschap van Robeco toe te voegen, zodat de aandacht voor het opbouwen van een pensioen getrokken wordt. De combinatie jongeren en pensioen is al ongewoon en dit zou op een ludieke of ongewone manier via de reclame benadrukt kunnen worden. Via sociale bewijskracht zouden de sociale normen verandert kunnen worden, door te benadrukken dat een redelijk aantal jongeren zijn/haar pensioen al geregeld heeft. Hierdoor worden andere jongeren eveneens gemotiveerd om zelf hun eigen pensioen op orde te maken, omdat het normaal is om dit gedrag te vertonen.
Referentielijst
Ajzen, I. (1985). From intentions to actions: A theory of planned behavior. In J. Kuhl & J. Beckmann (Eds.), Action control: From cognition to behavior (pp.115-156). New York: Springer-Verlag. Chang, R.Y., & Hanna, S. (1992). Consumer credit search behavior. Journal of Consumer Studies and Home Economics, 16, 207-227. Hira, T.K., & Mugenda, O.M. (1999). The relationships between self-worth and Financial beliefs, behavior, and satisfaction. Journal of Family and Consumer Sciences, 91, 76-82. Hogarth, J.M., & Hilgert, M.A. (2002). Financial knowledge, experience and learning preferences: Preliminary results from a new survey on financial literacy. Consumer Interests Annual, 48, 127-144. Knowles, E.S., & Riner, D.D. (2007). Omega approaches to persuasion: Overcoming resistance. In A.R. Pratkanis. (Ed.), The science of social influence: Advances and future progress (pp.83-114). New York: Psychology Press. O’Neill, B., Bristow, B., & Brennan, P. (1999). Changing financial behavior: Implications for family and consumer sciences professionals. Journal of Family and Consumer Sciences, 91, 43-48. Perry, V.G., & Morris, M.D. (2005). Who is in control? The role of self-perception, knowledge, and income in explaining consumer financial behavior. Journal of Consumer Affairs, 95, 299-313. Rotter, J.B. (1966). Generalized expectations for internal versus external control of reinforcement. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 43, 56-67. Rubenstein, C. (1981). Money and self-esteem, relationships, secrecy, and satisfaction. Psychology Today, 15, 29-44. Taylor, D.S., & Overbey, G. (1999). Financial practicies and expectations of student and non-student consumers. Journal of Family and Consumer Sciences, 91, 39-42. Weinstein, N.D. (1980). Unrealistic optimism about future life events. Journal of Personality and Social Psychology, 39, 806-820. |